Kennis en persoonsvorming van het kind
- 17 jan 2021
- 4 minuten om te lezen
Een breed geaccepteerde theorie over de doelen van onderwijs is die van Gert Biesta. Biesta staat bekend om zijn drieslag van kwalificeren, socialiseren en subjectiveren. Bij kwalificatie gaat het over het overbrengen van de kennis en vaardigheden die we belangrijk vinden om kinderen mee te geven. Socialisatie gaat over de gewoontes en tradities van alle dagen. Socialisatie moet worden opgevat in de breedste zin. Wat zijn de regels, wetten en verwachtingen van de gemeenschappen (van het klaslokaal tot aan de hele maatschappij) waarin het kind zich bevindt? De kennis en vaardigheden die we aanbieden (kwalificatie) geven context aan de socialisatie die we voor ogen hebben. Juist omdat de kwalificatie en socialisatie veel tijd en aandacht vergen, is de kans aanwezig dat we het kind, hoe raar het ook klinkt, hierin vergeten. Dit gegeven zet Biesta uiteen d.m.v. subjectivering. De subjectivering gaat over de betekenisgeving die kinderen hangen aan alles wat we als leerkracht aanbieden. Het is van belang dat we erkennen dat kinderen zijn gevormd door eigen ervaringen en opvattingen en om die reden een eigen waarde hangen aan datgene wat we aanbieden. Wanneer we aan het kind laten zien dat zijn/haar opvattingen ertoe doen, kunnen we verrijkende vragen stellen die kinderen helpen met vinden van de eigen identiteit. Zo zal één kind zijn best doen bij rekenen, omdat hij/zij het ziet als een belangrijke bezigheid, maar een ander juist zijn pet ernaar gooien omdat het slechte ervaringen met het vak heeft. Als leerkrachten willen dat de kinderen de stof eigen maken en omarmen is het van belang om deze onderlinge verschillen op te merken en daarnaar te handelen. Dit handelen begint al bij het opmerken van bijvoorbeeld gedrag, om hier vervolgens middels het voeren van een gesprek en/of het stellen van vragen over te spreken. Subjectivering speelt om die reden een belangrijke rol in de socialisatie en kwalificatie van het kind. Door het subjectiveren zorgen we ervoor dat het curriculum, waarin kwalificatie en socialisatie veelal centraal staan, niet alleen wordt verzonden, maar ook aankomt en een rol gaat spelen in het leven van een kind (Biesta, 2014).
Een belangrijke bijsluiter bij bovenstaande is dat de wet en regelgeving (waar we eerder over spraken) nooit uit het oog worden verloren. Het is aan een school de taak om vanaf dag één naar ouders en kind te communiceren welke gedragsverwachtingen er op een school gelden. Wanneer dit door leerling en/of ouder niet wordt geaccepteerd is het van belang grenzen te stellen, maar ook de dialoog aan te gaan. Dus: wij kunnen als school het gedrag of de opvattingen van u en/of het kind niet accepteren, daarom moeten we gezamenlijk naar een oplossing zoeken. Zodoende begrens je de gedragingen, zonder dat je iemand zijn overtuigingen of identiteit afvalt.
Hirsch (2020) stelt in zijn boek dat ieder mens wordt geboren met een zogenaamde blank slate. Hiermee bedoelt hij dat de hersenen bij de geboorte als het ware ‘leeg’ zijn. Het brein bevat enkel informatie die we vanuit evolutie hebben meegekregen en voornamelijk te maken heeft met simpelweg overleven. Het is daarom niet zo dat de identiteit van een kind vanaf de geboorte vast staat. Deze is voornamelijk afhankelijk van de directe omgeving en wat er dus in de ‘lege’ hersenen wordt gestopt. Wanneer we kinderen willen helpen met het vinden van een eigen ‘ik’ is het daarom niet verstandig om enkel te zoeken naar wat er al is. Veel beter is om voor een meer brede aanpak te kiezen. Een kind kan zijn/haar identiteit niet uitbreiden, wanneer het niks aan die identiteit kan toevoegen. Het uitbreiden van een identiteit kan een leerkracht uitlokken door ten eerst een sterk kennisaanbod te bieden en ten tweede door vaardigheden aan te leren die het verwerven van kennis stimuleren. Bij dit laatste moet simpelweg gedacht worden aan vaardigheden als lezen, spellen en rekenen.
Wanneer we eerst zouden kijken wat de identiteit van het kind is en slechts daarop willen voortbouwen, doen we kinderen te kort. We bieden ze dan bepaalde kennis niet meer aan, zonder dat we weten wat deze kennis met de kinderen had gedaan. Toch is het niet zo dat de al bestaande identiteit om die reden buiten beschouwing moet blijven. Daarover spreken we in de volgende paragraaf.
Biesta (2014) stelt in zijn drieslag dat de drie componenten invloed op elkaar uitoefenen. Over deze invloed moet nagedacht worden. Wanneer kennis wordt aangeboden, moet er worden waargenomen wat dat doet met de socialisering en/of subjectivering van kinderen. Zo kan het zijn dat een rekenles niet lukt, waardoor het kind een negatieve attitude ontwikkelt richting rekenen. Het is voor leerkracht belangrijk om continu te observeren wat de kennis met kinderen doet en te handelen wanneer nodig. Over dit handelen kunnen uiteraard pagina’s gevuld worden. Een goede vuistregel is om de drie basisbehoeftes (relatie, competentie en autonomie) van Ryan & Deci (1985) bij het handelen in acht te houden. Bij het voorbeeld van de rekenles die niet lukt kan de volgende handeling passend zijn:
1. Leerkracht constateert dat leerling vastloopt met de stof.
2. Leerkracht zoekt verbinding met het kind en benoemt wat hij/zij ziet (tekenend voor een gezonde relatie, waarin niet wordt geoordeeld of afgekeurd).
3. Leerkracht kijkt wat er al wel lukt en biedt extra uitleg waar nodig à succeservaring (competentie)
4. Vervolgens spreekt de leerkracht vertrouwen uit in een goede afloop en laat het kind zelf weer verder oefenen (autonomie)
Bovenstaande aanpak leidt niet in elk geval tot succes. Wanneer een kind bijvoorbeeld gaat wachten totdat de leerkracht komt helpen, is er teveel ingezet op competentie en relatie en is de autonomie ver te zoeken met alle gevolgen van dien.
Als we kijken naar kennis m.b.t. de persoonsvorming nemen wij het volgende standpunt in:
Kinderen krijgen op school veel kennis een vaardigheden aangeboden. Deze kennis maakt dat de wereld voor kinderen wordt verreikt, waardoor interesses en talenten worden ontdekt en onderdeel worden van de identiteit. Dit betekent dat leerkrachten niet opzoek zijn naar de identiteit van kinderen, maar deze proberen te verreiken. Dit vergt een leerkracht die kinderen een vertrouwd en gewaardeerd gevoel kan bieden, maar altijd het curriculum in acht kan blijven houden. Welke kennis en vaardigheden worden aangeboden is grotendeels vooraf bepaald en sluiten aan bij de Nederlandse wet en regelgeving en de waarden en normen die binnen de school gelden.




Opmerkingen